Verschenen in DYNAMIS jaargang 2007 nr. 47

Werken volgens de AV-methode: de taal van het virus

Het belagende virus weg eten

Anne Vervarcke hanteert haar AV-methode om achter de vitale verstoring van de patiënt te komen. Het meest opvallende aan deze casus is dat de patiënte zoveel mogelijk eet als ze ziek is. Het gaat er nu om haar gebruikte woorden zo goed mogelijk te begrijpen. De vrouw theoretiseert er lustig op los; over haar vatbaarheid sinds de klierkoorst; haar hekel aan parasieten; de invloed en het beïnvloedbaar zijn van een ding; veelzijdigheid; een groot inlevingsvermogen en oneindige groei. Anne hoort hierin de taal van het virus.

Tekst: Anne Vervarcke           Bewerking: Froukje Klaver

Een 25-jarige vrouw heeft meerdere studies gevolgd en vertelt dat ze zeven jaar geleden tijdens haar studie Biologie klierkoorts heeft gehad. Veertien dagen was ze ziek en sindsdien heeft ze veel last van haar gezondheid: ‘Ik ben vaak moe en recupereer slecht. Sinds mijn klierkoorts heb ik meer slaap nodig, maar overdag in slaap vallen betekent ’s nachts wakker liggen.
Als ik ziek word, begint het keer op keer met griep, keelpijn, sinusitis en dat sleept dan vier weken voort. Daarna ben ik moe ... niet dat ik behoefte heb aan slaap, gewoon rustig zitten is genoeg. Het wordt dan gradueel beter, maar traag ... heel traag ... het duurt maanden. Van nature ben ik redelijk gezond, maar als mijn immuunsysteem uitgeschakeld is, krijg ik gegarandeerd van alles: als iemand niest, word ik ziek en bij mij wordt het dan een keelontsteking.’

Eten als een wolf
Volgens haar theorie blijft ze functioneren doordat ze tijdens ziekte zoveel mogelijk eet … honger of geen honger: ‘Mijn afweersysteem kan dan beschikken over alles wat het nodig heeft. Veel mensen die ziek zijn, hebben geen honger en eten dan ook niet. Je krijgt dan geen voedingsstoffen, dus kun je ook niet verwachten dat je lichaam fatsoenlijk functioneert. Het lichaam verzwakt daardoor. Je hebt net méér nodig om je afweerstoffen aan te maken. Als je minder eet, maak je ze wel aan maar trager. Andere processen gaan daardoor minder goed, bijvoorbeeld de celwanden worden minder stevig. Het is dan makkelijker voor een virus om door te breken en zich sneller voort te planten en je wordt dus zieker. Het duurt langer eer het voorbij is.’
Ze gaat niet snel naar een dokter: ‘Als ik naar de dokter ga, weet ik bijna woordelijk wat ze gaat zeggen, waar ze gaat duwen, wat ze gaat voorschrijven. Ik kan die € 22 beter uitsparen. Een keelontsteking gaat ook vanzelf over. Ik wil alleen iets tegen de pijn.’

Adrenalinestoot
De vermoeidheid is haar belangrijkste reden van komst. Ze omschrijft het meer als een lichamelijke moeheid dan als een geestelijke. Het fluctueert ook: soms is één trap oplopen haar al teveel, maar in situaties waar ze veel adrenaline aanmaakt, heeft ze energie te over! Toen ze bijvoorbeeld tijdens een fietstocht te horen kreeg dat haar vriend een ongeval had gehad, fietste ze in een razend tempo naar hem toe. Normaal moet ze bergopwaarts tien keer afstappen, maar nu leek het alsof ze vleugels had.
Op de vraag of ze nog andere voorbeelden heeft, vertelt ze dat het ook gebeurt als ze kwaad is. Ze beschrijft het volgende voorval: ‘Op school moesten we een werkgroep vormen om een opdracht uit te voeren. Toen de groep bijeenkwam, was ik net ziek en Peter, de minst gemotiveerde van de groep, is toen heel grof tegen de rest geweest en verweet hen dat ze niets gedaan hadden. Het tegendeel was waar: een vriend en ik hadden juist wel al ons werk gedaan, maar ik had geen zin om de anderen daarvan mee te laten profiteren. Zes weken later hadden we de presentatie klaar, alleen Peter kwam met niets. Ik was zo boos … Op de gang zwaaide ik die hele, zware branddeuren zo hard open, dat ze bijna uit hun hengsels vlogen (hierbij maakt ze een typisch en terugkerend handgebaar)! Als ik die jongen ooit een hak kan zetten, zal ik het niet laten. In de klas heb ik leedvermaak als hij een fout maakt.’

Parasiet
Deze laatste opmerking vraagt om nadere uitleg. Wat voor gevoelens zitten hier achter? Ze geeft als antwoord: ‘Ik vind het geen aangenaam persoon ... hij profiteert van anderen ... het is een mooiprater. Als hij de les niet kan volgen, maakt hij opmerkingen waar de lerares heel gevoelig voor is en overstuur van raakt. Alles is altijd de schuld van iemand anders ... dat hij nu niet goed aangeschreven staat bij de taaklerares, is ook onze schuld.’
Nogmaals vraag ik door naar haar gevoelens: ‘Dit soort mensen vind ik parasieten. Je moet je verantwoordelijkheid nemen en kunt niet alles wat er mis gaat op iemand of iets anders afschuiven. Die vriend en ik hadden in die opdracht veel werk gestoken en hij probeert te profiteren. Natuurlijk, soms steek je er de ene keer meer tijd in dan de andere keer, maar er moet een wisselwerking zijn. Peter heeft die vriend uitgemaakt voor stotteraar en ik deug niet, omdat ik een zwakke gezondheid heb. Niet iedereen is perfect. Je kunt  er wel aan werken, maar je moet aanvaarden dat je bent zoals je bent.’

Hekel aan futaliteiten
Mensen, die als kind nauwelijks iets hebben meegemaakt, vindt ze veel beknopter in hun denken: ‘Ze kunnen zich nooit zo goed inleven in andere mensen. De vader van mijn vriendin is ziek geworden, waardoor haar moeder haar carrière heeft moeten opgeven. Ik praat veel liever met haar dan met een andere vriendin, die zich alleeen maar bezighoudt met merkkleding. Er bestaat een bepaald merk schoenen (zelfde handgebaar), die € 250 per paar kosten. Die vriendin had al vier van die paren, maar ze wilde nog een ander kleurtje. Haar moeder wilde er geen meer kopen en toen heeft ze bleekwater gebruikt om ze lichter te maken. Tsja, en toen was er een vlek op ... hahaha ... het drama!!! Om je zo op te winden over zoiets kleins. Ze snapt gewoon niet hoe bevoorrecht ze is ... waarom kan iemand doorzagen over zo’n futaliteit?’
Op de vraag wat ze daarmee bedoelt, zegt ze: ‘Van die luxeproblemen … over een trui die net door je moeder gewassen is, terwijl je die nu net wou dragen op dat rokje …  dat is vast zeer belangrijk, ja (sarcastisch) ... daar kun je je over opwinden. Maak daar toch geen probleem van. Ik vind het leuker om met mensen te praten over actualiteit, hun thesis, een thema buiten het alledaagse ... iets dat niet de afgelopen twee weken in de media is geweest. Bijvoorbeeld over de Noord-Zuidproblematiek of over godsdienst en alle voor- en nadelen afwegen. Zelf kan ik niet aan alles denken… van een gesprek wordt je rijker en krijgt een meer genuanceerd beeld (gebruikt dezelfde handgebaren).

Theoretiseren
Zo heeft ze met haar ex-vriend lange gesprekken gehad over de vraag of archeologie een wetenschap is. Ze is van mening dat een mens zichzelf verrijkt door alle voors en tegens te beargumenteren en maakt dit met veel handgebaren duidelijk: ‘Zo leer je elkaar beter kennen. Ik vind het leuk om mensen op een dieper niveau te leren kennen. Waar ze hun kleren kopen of wat ze vanavond gaan eten, vind ik niet interessant. Ik heb het graag over zaken waar je niet zoveel mee te maken hebt, bijvoorbeeld het syndroom van Down. Stel dat je zo’n kind hebt, zou je dan nog een kind willen ... of je bent veertig, laat je je dan onderzoeken?’
Ze is ervan overtuigd dat ze dankzij dit soort discussies een veelzijdiger mens wordt: ‘Het verruimt mijn inzicht (handgebaar). Zo ben ik in staat om met meer verschillende dingen rekening te houden. Het is belangrijk voor mij dat ik mij meer situaties kan indenken en meer in een persoon kan inleven. Ik begrijp dan beter waarom die persoon bepaalde dingen doet en kan meer van die persoon verdragen. We komen voortdurend met andere mensen in contact en hebben invloed op elkaar. Door met méér mensen gepraat te hebben, heb ik een minder strak verwachtingspatroon ... daardoor ben ik minder gebonden aan dat patroon (veel handgebaren). Als ik dit doe, verwacht ik dat. Er zijn zoveel verschillende mensen ... het is bijna onmogelijk dat dit verwachtingspatroon klopt. Door zoveel mogelijk mensen te leren kennen op een dieper niveau, leer je meer verwachtingspatronen kennen en raak je minder snel ontgoocheld.’
Ze praat snel en theoretiseert nu volop over ontgoocheling en dergelijke: ‘Het leuke is dat het een proces is dat nooit stopt. We zijn met zes miljard mensen. Er zijn oneindig veel waarden en normen ... je kunt oneindig blijven groeien ... daarom heb ik ook Psychologie gestudeerd: hoe denkt een mens? Hoe beïnvloedt ons denken ons gedrag? Het zou nog interessanter zijn deze dingen te bestuderen in een andere cultuur ... zou dat komen omdat ze elkaar op een ander manier beïnvloeden?

Beïnvloedbaar ding
Op mijn verzoek geeft ze een beschrijving van wat ze met beïnvloeden bedoelt: ‘Aan de ene kant hetgeen dat beïnvloed wordt en aan de andere kant hetgeen dat beïnvloedt. Hetgeen dat beïnvloed wordt, is anders erna dan ervoor. Het is één ding en na de beïnvloeding is het een ander ding geworden. Ik bedoel dat niet alleen in materiële zin. Je hebt veel verschillende dingen ... materiële en niet-materiële. Het geheel van eigenschappen maakt dat iets anders is dan iets anders. Wanneer iets dezelfde eigenschappen heeft, is het identiek. Het zijn de eigenschappen van dingen, die dienen om een beeld te vormen, bijvoorbeeld ‘hard’. Er is een categorie ‘hard en zacht’ ... door die biljarden eigenschappen kan ik verwachten dat bepaalde eigenschappen aanwezig zullen zijn, want in mijn hoofd zit dat het ding het geheel is van deze eigenschappen. Maar het is niet zo dat iets een grondvorm heeft en dat daar eigenschappen opplakken. Nee, neem de eigenschappen weg en je hebt niets meer. Eigenschappen zijn manieren waarop wij een beeld kunnen vormen van iets ... zonder eigenschappen kan ik mij geen voorstelling maken. Omdat iets eigenschappen heeft, kan ik er mentaal mee omgaan. Iets wat geen eigenschappen heeft, is in mijn hoofd onbekend, ondefinieerbaar. Het minste wat iets moet hebben, is een naam … er is één eigenschap nodig om iets te kennen … en er is geen maximum. Die ene eigenschap is licht ... licht is licht ... dat is één ... het kan een naam hebben maar dat zijn al drie eigenschappen: naam, klank, schrijven ... wauw ... dat zou een interessante filosofische discussie zijn.’
Ze gaat hierover met haar vriend, die bij het consult aanwezig is, in discussie: ‘Zelfs het ‘Niets’, wat de afwezigheid van alle dingen is, heeft eigenlijk al een eigenschap. Niets ... help, waarom zijn de meeste mensen eigenlijk bang voor de dood?’

Handgebaar
Er wordt gevraagd naar de betekenis van haar veelvuldig gebruikte handgebaar: ‘Oh, dat is een tic ... een handgebaar waarbij ik mijn handen komvormig naar elkaar houd en de vingers open, waarbij ik precies iets vastpak ... om iets concreter te maken ... om vat te krijgen. Het is tof te horen dat ik een eigen handgebaar heb, dat maakt mij net iets unieker dan de rest van de wereld. Het is een vorm van communicatie. Zo heeft iets omvang en krijgt betekenis.

Prooi
Er wordt nog even teruggekomen op wat er met haar gebeurt als ze ziek wordt: ‘Ik ben een bepaalde tijd ziek, word beter, maar net als ik denk dat ik het normale leven weer op kan pakken, word ik weer ziek. Mijn lichaam is een heel gemakkelijke prooi voor infectie, omdat mijn immuunsysteem zo verzwakt is. Toch heb ik eigenlijk het gevoel dat ik meer dan de gemiddelde mens kan verdragen. Op het gebied van vallen en blauwe plekken oplopen, heb ik niets. Als ik mijn enkel verstuik, doet dat even pijn maar na vijftien minuten niet meer. Ik ben stevig gebouwd, mijn beendergestel en pezen zijn steviger, mijn reflexen zijn sneller. Ik heb jaren judo gedaan en je kunt met mij redelijk hard smijten. Maar ik schrik wel snel, gil dan en jaag mijn medebewoners de stuipen op het lijf. Zij denken minstens dat er iemand dood is, terwijl ik bijvoorbeeld gewoon mijn hand heb verbrand. Die gil komt samen met de reflex van mijn hand terugtrekken. Het is alsof een beest mij bijt … een wesp of een spin, die mij zou kunnen steken … als in een bekende film, en toch weer ijselijk gillen van dat tevoorschijnkomende monster uit die onderaardse gang.’
Op de vraag of ze voor nog meer dingen bang is, zegt ze: ‘Ik ben bang om alleen te zijn, geen vrienden te hebben … ook om machteloos te zijn. Mijn nachtmerrie als kind was dat mijn pluchen konijn tussen twee treinwagons gevallen was en ik niet in staat was hulp te bieden. Machteloosheid maakt dat je in een negatieve situatie niet kunt doen wat nodig is om die te doen ophouden. In het dagelijks leven geeft me dat een heel slecht gevoel. Als student bijvoorbeeld, ben je afhankelijk van de goodwill van professoren. Heb je aan het einde van het schooljaar iets niet in orde omdat je iemand niet te pakken kon krijgen, ben jij toch de schuldige. Daarom ben ik gestopt met mijn studie Psychologie en Pedagogie: het bracht te veel stress mee om aan de juiste informatie te geraken ... ik moest opbotsen tegen de logheid van het systeem.’

Analyse
Bij iedere patiënt is de vraag: wat is uniek aan deze persoon? Wat is opvallend en karakteristiek? Het eerste merkwaardige feit is, dat de patiënt wanneer ze ziek is zoveel mogelijk eet om haar afweersysteem over alles te laten beschikken wat het nodig heeft: eiwitten, voedingsstoffen, mineralen. Zonder deze bouwstoffen verzwakt een mens waardoor afweerstoffen trager aangemaakt worden, celwanden minder stevig worden en virussen makkelijker doorbreken en voortplanten en men dus zieker wordt. Deze gedetailleerde beschrijving van hetgeen er volgens de patiënt gebeurt, is de kern van de case. De rest van de anamnese is een bevestiging.
De patiënt vertelt dat ze zelf best weet wat ze mankeert en daar geen dokter voor nodig heeft. Het lijkt misschien alsof ze een slechte conditie heeft, maar dat is niet zo: met de nodige adrenaline is ze kennelijk tot topprestaties in staat (dit is overigens bevestigd door haar schoonmoeder, die haar tijdens een verhuizing meubels en ijskasten zag tillen). Adrenaline wordt opgewekt door bezorgdheid voor haar vriend of woede omwille van een klasgenoot, die ze een parasiet noemt. Hij profiteert van haar werk. Ze zou hem met plezier een hak zetten en heeft veel leedvermaak als hem iets overkomt. Over het algemeen spreekt ze misprijzend over anderen, die luxeproblemen hebben of zich met futiliteiten bezighouden.
Wat haar in het bijzonder interesseert, zijn gesprekken over zaken waar je niet vaak mee in contact komt. Mensen met meer inzicht kunnen ervoor zorgen dat je nieuwe inzichten krijgt. Het verrijkt je en maakt je veelzijdiger. Zo kun je met méér dingen rekening houden, je in meer situaties of personen inleven en er meer van verdragen. Het feit dat er zesmiljard mensen zijn om van te leren, heeft voor haar het voordeel dat je oneindig kunt blijven groeien.
We zoeken dus een substantie welke gericht is op dingen, waar zij niet alle dagen mee geconfronteerd wordt. Welke zich onderscheidt van alle anderen door veelzijdiger te zijn, in vele situaties kan inleven en aanpassen en oneindig kan blijven groeien.

Taal van de substantie
Ze vertelt verder dat ze Psychologie heeft gestudeerd om erachter te komen hoe een mens denkt en hoe ons denken ons gedrag beïnvloedt. Is het cultuurverschil terug te brengen op een andere beïnvloeding van elkaar? Over beïnvloeding geeft ze een opmerkelijke en precieze omschrijving: ‘Je hebt een ding dat beïnvloedt en een ding dat beïnvloed wordt en daarna is dat laatste ding niet meer hetzelfde als het voorheen was.’
De hele tijd spreekt de patiënt hier de taal van de substantie (vanaf het begin van de anamnese) en het is niet moeilijk haar daar telkens op terug te brengen als ze even situaties of voorbeelden aanhaalt.
Iets is een ding en na de beïnvloeding is het een ander ding geworden. Ze filosofeert nog een eind weg over de eigenschappen van een ding, al is het maar één, die zij nodig heeft om zich er een voorstelling van te kunnen maken. Als ik haar vraag wat die ene eigenschap is, zegt ze ‘licht’.
Als ik naar haar handgebaar vraag, zegt ze: ‘Precies om iets concreter te maken. Het maakt mij uniek, het heeft omvang en betekenis en het heeft het potentieel om veel invloed te hebben op ander zaken.
Het laatste gedeelte gaat over haar eigenschap méér te kunnen verdragen dan andere mensen: ze is niet snel verwond of is enorm snel hersteld, haar beenderen en pezen zijn steviger en haar reflexen sneller. Alleen wanneer ze ziek is geweest en haar afweersysteem verzwakt, is haar lichaam een gemakkelijke prooi voor infectie.

Het virus
Het ding dat beïnvloedt, waardoor iets niet meer hetzelfde is dan ervoor: het veelzijdige ding, dat zich in iedereen wil kunnen inleven om er meer van te kunnen verdragen en oneindig te groeien - met een potentieel van veel invloed en betekenis te zijn - is volgens mij de substantie. Ik hoor hierin de taal van het virus.
Haar sterk, pezig en kloek gestel - dat vallen en smijten kan verdragen, dat de mountainbiker het nakijken geeft bij het bergopwaarts fietsen of zware branddeuren bijna uit hun hengsels rukt, wanneer ze geërgerd is - heeft maar één belager: het virus. Ze gaat dan eten om niet toe te laten dat haar afweersysteem te zwak zou zijn, celwanden doorbroken zouden worden en virussen zich zouden kunnen voortplanten. In dat geval zou ze namelijk beïnvloed worden en niet meer dezelfde zijn.
Omdat ze zich ‘never well since mononucleosis’ voelt, besluiten we dat het virus dat ze nodig heeft Epstein Barr is en haar voorschrift is dus <I>Epstein Barr 200K<$>.

Bronnen
* ‘The Charm of Homeopathy’: Anne Vervarcke (zie rubriek ‘Bijblijven’ voor verdere informatie).