Verschenen in DYNAMIS jaargang 2007 nr. 48

Werken volgens de AV-methode: Niet geborgen, niet geliefd

De Assepoes van de familie

Anne Vervarcke hanteert haar AV-methode om achter de vitale verstoring van de patiënt(e) te komen. Deze vrouw heeft sinds haar dochter vertelde dat ze zwanger was ernstige duizeligheidsklachten. Haar eerste reactie was dat ze zich in het luchtledige voelde, zonder houvast en zonder steun. Ze kan er maar geen vat op krijgen en ze beroven haar van haar vrijheid. Haar moeder legde enorm beslag op haar en al van kleinsaf aan werd ze de Assepoes van de familie genoemd. Het niet geborgen voelen bezorgde haar de nodige spanning en druk wat evenzo gold voor het doorgemaakte faillisement en in algemenere zin voor de tsunami.

Tekst: Anne Vervarcke Bewerking: Froukje Klaver

Deze 56-jarige bediende is getrouwd, heeft een zoon van 35 en een dochter van 34 jaar. In februari 2005 consulteert zij mij vanwege duizeligheidsklachten. Als ze ’s morgens wakker wordt, draait de kamer. Op een morgen was het zo erg dat ze ervan moest braken. Een KNO-specialist heeft haar oren kunnen laten ‘klikken’, maar dat heeft slechts tijdelijke verbetering gegeven. Als zij zich te wild in bed omdraait, heeft zij het nog. Ze weet niet of ik haar kan helpen.
Op mijn vraag of ze wat meer kan vertellen over haar klacht, zegt de patiënte dat ze tien jaar geleden ook al duizelig werd als ze voor een stoplicht stond en een camion reed verder. Destijds heeft ze dit nog met kruiden kunnen verhelpen, maar sinds vijf jaar zijn haar klachten serieus. Toen heeft haar dochter haar namelijk verteld dat ze zwanger was ‘en’, zegt ze, ‘toen lag ik plat’. Ze voegt eraan toe dat ze twee weken ervoor ook erg onpasselijk was geweest tijdens het parasailen: ‘Als je 50 bent, wil je niets meer laten liggen, hè?’

Uit haar evenwicht
De vraag is nu hoe ze op die zwangerschap van haar dochter heeft gereageerd: ‘Ze kende die jongen nog maar drie maanden ... dat heeft mij kennelijk uit mijn evenwicht gebracht. Die jongen was veganistisch… ze heeft die dan buitengezet...’
Ik vraag door naar haar eerste reactie: ‘Ik voelde mij in het luchtledige, zonder steun ... ik had geen houvast. Mijn dochter aanvaardde het zoals het was. Toen ik de volgende dag mijn ogen opendeed, begon de kamer te tollen. Eigenlijk kon ik mijn ogen zelfs niet eens opendoen. Ik kon mij niet bewegen. Het gaf mij het gevoel dat ik ging sterven. Ik wist niet wat mij overkwam. We hebben de dokter erbij geroepen, die mij een injectie gaf om mijn bloeddruk te laten stijgen. Hij gaf ook medicijnen, maar ik kon gewoon niet opstaan: de kamer begon dan te tollen en ik moest stillekes weer gaan liggen. Als ik stillag, voelde ik niets maar als ik nog maar zo’n klein beetje draaide, begon de kamer te tollen en werd ik zo onpasselijk dat ik moest kokhalzen. Mijn eten kon ik niet binnenhouden, ik moest braken en pas na twee dagen kon ik een beschuitje eten. Stelselmatig is het verbeterd.
Naar het toilet gaan was een ramp… dan voelde ik mij zo ziek... om te sterven... ik wou dat forceren maar dat ging niet. Ik moest een beroep doen op mijn man en die is lief, maar onhandig. Afhankelijk moeten zijn maakt mij opstandig: als ik ziek ben, ben ik niet te genieten.’
Wat bedoel je met forceren?: ‘Ziek zijn is ontoelaatbaar... ik probeer het te negeren. Het was één van de weinige keren dat ik in bed ben blijven liggen.’

 

Onverwachts
Er volgt een beschrijving van wat er gebeurt als zij zich onpasselijk voelt: alles draait dan, ze krijgt het zuur, voelt een spanning in haar hoofd en haar benen voelen slap. Op zo’n moment wil ze gaan liggen en niet meer bewegen totdat het over is. In een zweefmolen of tijdens een zeereis voelt zij zich ook zo. Ze mijdt bruuske bewegingen, want het komt altijd zo onverwachts op. Bewegen als ze gebukt staat, kan ze niet. Ze gaat altijd op haar knieën zitten. In de auto zorgt ze ervoor goed recht te zitten en voldoende steun te hebben. Ze fixeert dan haar ogen en kijkt zeker niet opzij, omdat zij niet verwittigd wordt: alles begint ineens rond haar te tollen.
Ik vraag haar dat gevoel te beschrijven: ‘Verschrikkelijk... echt verschrikkelijk... het is een ‘wreed’ gevoel, wat buiten mij om gebeurt. Ik moet dat ondergaan en ik wil er zo snel mogelijk van af. Het geeft mij een ziek gevoel waar ik geen vat op heb. Eigenlijk ben ik niet ziek en toch overkomt het mij iedere keer.’
Ik vraag haar of ze haar gevoel ‘er geen vat op te hebben’ nader uit kan leggen: ‘Misschien wil ik alles graag onder controle houden. Iets overkomt je... meermaals... je kunt het niet uitsluiten. De eerste keer dat ik het kreeg, wist ik niet wat te doen… ik zal toch zo niet mijn hele leven moeten slijten? Het gevoel van je eigen leven niet meer te kunnen leiden. Schrik zal ook een grote rol gespeeld hebben.’

Vrijheid kwijt
Schrik?: ‘Dat ik daar maar zou moeten liggen, past niet in wat ik nog wou doen. Niet meer kunnen lopen, niet meer met de auto kunnen rijden... Ik zou mijn vrijheid kwijt zijn en dat zou verschrikkelijk zijn. Niet meer doen wat ik graag doe... samen met mijn partner… geen belemmeringen hebben: opstaan als je wilt, eten als je wilt, niet liggen wachten tot iemand je komt helpen... geen beperkingen.’
Op dit laatste vraag ik haar dieper in te gaan: ‘Vroeger moest ik heel hard werken. Er waren altijd andere dingen die de voorrang kregen en die door iemand anders opgelegd werden. Je zit in dat roulement (maakt een handgebaar) en je doet maar. Nu werk ik op vrijwillige basis, omdat ik niet thuis wil zitten. Toen leefde ik het leven dat van mij verwacht werd en nu leef ik het leven zoals ik het zelf aanvoel en dat voelt rustig, goed, een voldaan gevoel. Het is nog maar sinds korte tijd dat ik mij zo voel. Stelselmatig heb ik mij dat aangeleerd: ik ga niet meer leven naar andersmans verwachtingen.’

Zware druk
De vraag is nu hoe zij daartoe gekomen is: ‘Misschien door de dood van mijn moeder, die altijd een grote verantwoordelijkheid op mij gelegd heeft. Het is misschien niet vriendelijk, maar toen ze stierf dacht ik: oef, niet altijd meer die druk! Ze verwachtte dat ik altijd voor haar klaarstond, boodschappen deed en ik beantwoordde dat. Mijn eigen gezin kwam op de tweede plaats. Doordeweeks slorpte onze zaak mij helemaal op, maar zaterdags verwachtte ze dat ik boodschappen met haar ging doen. Ze zorgde ervoor dat ze altijd op de eerste plaats kwam en ik kon geen nee tegen haar zeggen. Wat mij tegenhield? Ze zou niet content geweest zijn, wat mij een schuldgevoel gegeven zou hebben. Ik zou mij niet gelukkig gevoeld hebben te weten dat zij zat te wachten. Zo gauw ik thuis was, legde ze beslag op mij en ze duldde geen tegenspraak … het was geen vraag die zij stelde. Mijn zus, de champetter, deed veel minder, mijn oudste zus is een gevoelsmens.’
Waar situeer jij jezelf?: ‘Helemaal onderaan. Vroeger noemden mijn broers en zussen mij Assepoes… ik draaide voor alles op. We zijn met zes thuis: de broer die voor mij komt is mentaal gehandicapt en de broer die na mij komt werd heel graag gezien en ik zat tussen die twee in. Ik werd op reis gestuurd met de gehandicapte en had de zorg over hem, terwijl de jongste altijd alles toe kreeg... maar we hingen aan elkaar, hoor … we zijn niet nijdig op elkaar.’

Assepoes
Ik vraag haar wat die zware zorg voor haar betekend heeft: ‘Ik kon nooit onbezorgd zijn, ik droeg de verantwoordelijkheid, draaide voor alles op. Als we gegeten hadden, was het normaal dat ik afwaste. Mijn moeder zette mij altijd aan het werk: poetsen, op mijn broer passen... ik heb ooit eens gevraagd of ik hun trouwboek mocht inzien om te kijken of ik wel een kind van hen was. Toen ik op een internaat mocht, was ik blij … ik ben er heel graag geweest. Mijn moeder heeft mij nooit het gevoel gegeven dat ze mij graag zag.’
Welk gevoel had je dan?: ‘Het maakte mij onzeker... welke plaats heb ik in dat gezin (maakt een cirkelvormend handgebaar)? Mijn vader verdedigde mij wel, maar later zei ze alsnog dat het toch moest gebeuren. Zelf ben ik gewillig en mijn brave man zei ook altijd dat ik dit nu maar voor mijn moeder moest doen.’
Ik kom nog even terug op haar plaats in het gezin: ‘Ik voelde mij goed met mijn broers en zusters, maar ik had met haar geen moeder-kind relatie. Je ondergaat dat, hè... het was nooit een geborgen gevoel. Ik was nooit 100% op mijn gemak, wilde zo snel mogelijk weg… weg van de situatie (maakt weer een cirkelvormend gebaar). Eens buiten voelde ik me beter ... ik had mijn plicht gedaan!’

Eenheid
Wat wil je met dat cirkelvormend gebaar benadrukken?: ‘Een eenheid... iets waar je je goed in voelt... een huis... de warmte binnenin… iets waar je deel van uitmaakt... een samenhorigheid… op dezelfde lijn zitten... dezelfde gedachtegang hebben, hetzelfde gevoel... een goed gevoel, maar thuis was die warmte er in het geheel niet.’
Wat was er wel?: ‘Spanning... druk... ik heb nog overwogen om weg te lopen... ik was heel ongelukkig: dit gaf me een nijpend gevoel van binnen... ik was niet wat ze verlangde… slim... mooi... lief... ik weet het niet. Ze had zeker met mij moeten kunnen pronken… met mijn kwaliteiten.’
Maar hoe moest dat dan als Assepoes?: ‘Ik was bereidwillig... het was vernederend dat ik dat altijd moest doen. Ik moest op mijn hoede zijn om alles te doen wat ze verwachtte en niet wat ik graag deed. Als ik bedden op moest maken, wilde ik dat doen met muziek maar dat mocht niet, want plezier maken stond niet in moeders woordenboek.
Waren er dingen waar je schrik van had als kind? ‘Alleen op straat lopen als het donker was, maar dat is alles. Voor de rest was ik nogal een durver, een haantje-de-voorste op de kostschool. Daar was ik meer een leiderstype, zeker geen meeloper. Ik voelde mij daar zekerder en ik had een nonneke dat mij graag zag. Kort nadat ik van de kostschool afkwam, ben ik getrouwd. Een jaar nadien is mijn zoon geboren en nog een jaar later mijn dochter.

Zwaard van Damocles
Vervolgens vertelt de patiënte een heel verhaal over hun eigen vleesverwerkingsbedrijf waarmee ze dertien jaar zeer goed verdiend hebben, maar door tegenslag failliet zijn gegaan. Al tien jaar lang zijn ze in processen verwikkeld, omdat schuldeisers hun beleidsfouten aanwrijven. Hoewel ze vrijgesproken zijn, is de tegenpartij in beroep gegaan en ze ervaart dit als het ‘zwaard van Damocles’ waar ze niets aan kunnen doen. Het geeft haar zowel een paniekerig gevoel van alles kwijt te zullen raken en hun huis te moeten verkopen als woede, omdat haar man ervoor op de vlucht slaat. Soms dreigt hij ze met zijn geweer ‘af te schieten’ wat haar bang maakt, ‘want dan is ons leven kapot’. Dit alles geeft haar een beklemd en nijpend gevoel… het geeft spanning, druk.

Levensnoodzakelijke behoeften
Wat versta je onder spanning en druk in het algemeen, los van je eigen situatie? ‘Je niet goed in je vel voelen... dingen die je kunnen overkomen, waar je geen vat op hebt... het onzekere... verwachtingen die je niet kunt inlossen.’
Ja, maar nu los van je eigen situatie. ‘Dingen die je overkomen... zoals die tsunami… dat moet verschrikkelijk zijn... die angst... je zou ervan weg willen... verschrikkelijk veel angst... je voelt je wanhopig om wat er gaat komen... om wat je verloren hebt… dat je daar staat en niets meer hebt... dat je geholpen moet worden... je kunt het niet meer alleen.’
Waaruit bestaat de angst? ‘Voor het overweldigende... om te sterven. Als zoiets je overkomt, betekent dat het einde nabij is... je hebt angst voor het onbekende. Als je sterft, is alles gedaan: je laat je kinderen achter, neemt afscheid… er komt niets meer. Voor mij is sterven het einde.’
Wat bedoel je met niets meer hebben? ‘Materieel... alles is weg... het huis, de kleinste gebruiksvoorwerpen. Als iedereen in die situatie zit, is het nog aanvaardbaar: er is dan samenhorigheid en je zal trachten zo rap mogelijk de levensnoodzakelijke dingen te hebben zoals eten, drinken, kledij, warmte... en huisvesting.’
Tot slot vertelt de patiënte dat ze schrik heeft van wat er gaat komen of om ‘s avonds met de hond te gaan wandelen: ‘Ik heb schrik dat iemand mij zou aanranden en dat ik mij fysiek niet meer zou kunnen verdedigen.’ Ze heeft verder nog last van afbrekende nagels en al haar hele leven van hoofdpijn, soms zo erg dat ook haar tanden pijn doen, af en toe met het gevoel van naaldjes. Ze neemt dan pijnstillers in de hoop dat het overgaat.

Analyse
De hoofdklacht is duizeligheid, begonnen nadat haar dochter vertelde dat ze zwanger was, wat haar ‘kennelijk uit haar evenwicht heeft gebracht’. Haar eerste reactie was dat ze zich in het luchtledige voelde, zonder houvast en zonder steun. De volgende dag kon ze niet meer bewegen, zelfs haar ogen niet meer opendoen en ze voelde zich afhankelijk van haar man. Sindsdien mijdt ze bruuske bewegingen omdat het onverwachts opkomt en ze het gewoon moet ondergaan: het is iets dat buiten haar om gebeurt, iets waar ze geen vat op heeft en niet kan stoppen. Dit brengt teweeg dat ze schrik heeft geen eigen leven meer te kunnen leiden en haar vrijheid kwijt te zijn. Met vrijheid bedoelt ze: samen met haar partner opstaan als ze wilt, eten als ze wilt, niet moeten wachten tot iemand je helpt, geen belemmeringen hebben. Dit is een heel karakteristieke manier om ‘vrijheid’ te beschrijven.
Vervolgens worden de omstandigheden besproken die ervoor gezorgd hebben dat ze vroeger de voorrang gaf aan zaken die door anderen opgelegd werden en waarom ze nu leeft zoals ze het zelf aanvoelt. Haar moeder legde enorm beslag op haar en al van kleinsaf aan werd ze de Assepoes van de familie genoemd: ze moest zorgen voor haar gehandicapte broer en werken in het huishouden. Destijds heeft ze zelf gevraagd naar het internaat te mogen en was er heel graag. Haar gevoel was dat haar moeder haar niet graag zag.

Niet geborgen
Ze had geen geborgen gevoel en vroeg zich af: ‘Welke plaats heb ik in het gezin?’ Nochthans heeft ze ook na haar huwelijk moeder nooit iets kunnen weigeren en liet haar eigen gezin op de tweede plaats komen door bijvoorbeeld op zaterdag met moeder te gaan winkelen. Dit alles gaf de patiënte het gevoel van spanning en druk en diezelfde woorden komen terug wanneer ze over het faillisement van hun bedrijf vertelt en de rechtszaak waar ze al tien jaar in verwikkeld zijn. Als ik haar vraag ‘spanning en druk’ te beschrijven komen de woorden terug, die ze in het begin van het consult gebruikte om haar duizeligheid te beschrijven: ‘Dingen die je kunnen overkomen, waar je geen vat op hebt… onverwachte, onzekere dingen.’
Wat zowel op niveau van de pathologie ervaren wordt en terugkomt in de ‘story’ van de patiënte is dus algemeen. We weten inmiddels dat het gaat om een mineraal middel (geen steun, geen houvast, geen vat op dingen) van de linkerzijde.
Om dieper erop in te gaan vraag ik de patiënt los van zichzelf te praten , over dingen waar je geen vat op hebt. Haar antwoord is de tsunami: ‘Wat de mensen daar meemaken is verschrikkelijk veel angst, je hebt niets meer, je moet geholpen worden… het einde. Materieel is alles weg: het huis, de kleinste gebruiksvoorwerpen.’ Als ik een beetje doorvraag naar de levensnoodzakeijke dingen zegt ze: ‘Eten, drinken, warmte en huisvesting.’ Daarmee is de casus duidelijk: dit zijn de behoeften uit de tweede, horizontale lijn en de vraag ‘wat is mijn plaats in dat gezin?’ (Assepoes) is een <I>Magnesium carbonicum<$>- vraag. Niet geliefd, niet geborgen maar afhankelijk van de basisbehoeften, kan een <I>Magnesium<$> niet ‘nee’ zeggen of kwaadheid tonen. De patiënte krijgt 1 dosis 200K in 3 innames over 24 uur.

Follow up
Zes weken later vertelt ze: ‘Ik ben beter, maar het is zeker nog niet gedaan. Het was goed maar de laatste week had ik het weer. Het was zo erg dat de grond onder mijn voeten wegging in de keuken (handgebaar). Ik heb ook twee dromen voor je onthouden: de eerste was van dringend naar het toilet te moeten, terwijl alle deuren gesloten waren en in de tweede droom werden we tegengehouden op de weg, omdat we te snel reden en de koning en de koningin de weg moesten kruisen.
Op welk gebied was je beter? ‘Er waren dagen dat ik helemaal niets voelde en dat was lang geleden. Ik moet eerlijk toegeven dat ik zeer sceptisch was, toen ik hier met dat granulleke buitenkwam en het ging de eerste weken ook niet beter, zelfs slechter. Ik heb mijn werk verder gedaan, ook om het middel te testen… toch de auto wassen en zo. Ik voelde mij ook zowat depressief... zoals vroeger met heel die rechtszaak... Ik heb het een tijd van mij kunnen afzetten, maar nu denk ik er dagelijks aan en heb de advocaat aangedrongen op een bespoediging.’

Zaaaalig
De rest van het consult gaat op aan de uiteenzetting hoe haar man uit idealisme heeft geweigerd toevoegingen in het vlees te doen, omdat de veehandelaars antibiotica in hun vlees deden en hun producten niet meer op artisanale wijze konden rijpen. Ze heeft als boekhoudster van de firma gezien dat ze vier jaar voor hun zaak gevochten hebben, maar dat ze achteruit gingen: ‘Ik zag voor mijn ogen alles verloren gaan wat we opgebouwd hadden.’
Daarna heeft ze een hele goede week gehad, echt fantastisch en dan die donderdag ging het opeens weer mis: ‘Mijn kleinzoon zou voor vier dagen bij ons logeren en dat was de eerste keer dat hij zolang zonder zijn mama zou zijn, maar het is erg meegevallen hoor. Hij is op die donderdag gekomen en ik voelde mij zo goed dat die duizeligheid mij echt overviel. Het heeft de hele dag geduurd en op mijn werk (ze werkt - ironisch genoeg - met veel plezier bij een incassobureau) voelde ik mijn bureau weggaan.’
Ze omschrijft de week ervoor als zaaaaalig: ‘Het gaf me een vrij gevoel... vrij van beweging. Ik was in de wolken... gewoon mij zo goed voelen.... alsof het goed weer is en het zonneke schijnt.’

Analyse
De aanvankelijke verergering en de daarop volgende verbetering laten zien dat het middel aan het werk is. De terugval heeft opmerkelijk genoeg te maken met haar kleinzoon, die voor het eerst voor een langere tijd van zijn moeder gescheiden zou worden. Ze maakte zich zorgen of dat wel goed zou gaan en hij zijn moeder niet teveel zou gaan missen. Omdat ondanks het feit dat ze sceptisch was, het middel een periode fantastisch heeft gewerkt, schrijf ik SL voor.

Follow up
Nog eens zes weken later heeft ze geen duizeligheidsklachten meer: ‘Dat is voor mij heel verwonderlijk. Eigenlijk vroeg ik mij af of het nog nodig was te komen. Aanstaande vrijdag vertrek ik naar Spanje: zou ik iets nemen?’
Ze vertelt over haar vliegangst en het onpasselijk voelen tijdens een vlucht. Hier heeft ze last van sinds ze ooit turbulenties heeft gevoeld. Ze neemt altijd medicatie voor een vlucht.
Met haar draaierigheid is het gedaan: ‘Ik kan nu alles doen. Wel maak ik mij zenuwachtig over de rechtszaak.’ Ze heeft inmiddels een minnelijke schikking voorgesteld om sneller van de druk verlost te zijn en haar leven voort te zetten zonder dat er iets boven haar hoofd hangt (al kan dit een fikse geldsom betekenen).
Over haar hoofdpijn zegt ze: de afgelopen zes weken heb ik het zes dagen gehad en dat is weinig voor mij. Vroeger kon ik tot een week aan één stuk hoofdpijn hebben: ermee opstaan en ermee gaan slapen en na enkele dagen nam ik dan pijnstillers, twee, drie, soms tot vijf op een dag. De eerste keer dat ik nu hoofdpijn had, heb ik één pil ingenomen en de volgende morgen was het gedaan. De tweede keer heb ik niets ingenomen, maar ik voel me over het algemeen goed hoor.’
En de wolkjes? ‘Niet meer gehad! Kan je daar niet nog eens voor zorgen?’ (lacht)

Analyse
De duizeligheid is dus in een paar maanden volledig verdwenen, terwijl ze er toch jaren last van heeft gehad. Met haar hoofdpijnen gaat het ook stukken beter.
Het is altijd een goed teken wanneer de patiënt(e) niet meer goed weet wat te vertellen tijdens een vervolconsult. Ik geef haar een dosis SL mee voor in het vliegtuig, omdat ze verwacht klachten te krijgen. We spreken af dat ze mij zonodig voor een nieuwe afspraak belt.

Bronnen
* ‘The Charm of Homeopathy’: Anne Vervarcke (zie rubriek ‘Bijblijven’ in Dynamis 47 voor verdere informatie / ISBN 90 810 0172 8, Uitgeverij The White Room, www.thewhiteroom.be)
* ‘Postgraduate Annual 2006 - Life and videocases’: Anne Vervarcke (ISBN 90 810 0173 6, Uitgeverij The White Room, www.thewhiteroom.be)